Waarom zelfbewustzijn je angst voedt én je ervan verlost.

Koolmees die zichzelf aanvalt in spiegelbeeld in raam — illustratie bij blog over angst en zelfbewustzijn

De koolmees die niet weet wie hij is, en wat dat over jouw angst zegt

In de eerste week van april zit ik aan mijn koffie bij het keukenraam. En ineens wordt er op het raam getikt. Nee, geen roodborstje. Het is een koolmees. En hij tikt niet één keer. Steeds opnieuw, op dezelfde plek. Nogal agressief ook.

Hij valt zichzelf aan. In het raam ziet hij zijn rivaal. Een indringer op zijn territorium, precies in de week dat zijn vrouwtje waarschijnlijk al op het nest zit. En dus valt hij aan. Keer op keer. Vol overtuiging. Grappig en sneu tegelijk. De Koolmees reageert op gevaar wat er niet is. 

Klinkt bekend?

Maar wat zegt het over ons, dat wij wél weten wie we zijn in de spiegel? En waarom ervaren wij toch ook gevaar dat er niet is?

De spiegelproef: wie herkent zichzelf?

In 1970 ontwikkelde de Amerikaanse psycholoog Gordon Gallup Jr. de zogeheten spiegelproef, ook wel de mark test of rouge test genoemd. Het principe is simpel: breng zonder dat het dier het merkt een kleurvlek aan op een plek die het alleen via een spiegel kan zien: op het voorhoofd, de wang, of de neus. Zet het dan voor de spiegel. Raakt het de vlek op zijn eigen lichaam aan, dan begrijpt het: dat beeld ben ik.

De uitkomst was verrassend. De meeste dieren zakken voor de test. Ze reageren op hun spiegelbeeld zoals de koolmees op mijn raam: als op een soortgenoot. Als concurrent of als vriend, afhankelijk van de soort. Maar niet als zichzelf.

Slechts een handjevol soorten slaagt voor de test: mensapen, dolfijnen, olifanten en opmerkelijk genoeg ook de ekster. (1)

Minder dan tien soorten in totaal.

En wij, mensen? Wij halen de test pas rond anderhalf à twee jaar. Baby's lachen naar hun spiegelbeeld alsof ze een vriendelijk onbekend kind zien. Ergens tussen de vijftien en vierentwintig maanden wrijft een kind voor het eerst de stip van zijn eigen neus. Dat moment markeert iets groots: het besef dat jij de maker bent van wat jij ziet.

Zelfherkenning is dus geen vanzelfsprekendheid. Het is een ontwikkeling. Een cognitieve sprong die maar weinig wezens op aarde maken.

Waarom kregen wij dit eigenlijk?

Hier begint het filosofisch interessant te worden.

De koolmees heeft geen zelfbewustzijn nodig om te overleven. Hij verdedigt zijn territorium, voedt zijn jongen, overwintert en doet het jaar erop opnieuw. Prima systeem. Geen ego, geen existentiële crisis, geen slapeloze nachten.

Wij kregen ergens in onze ontwikkeling iets extra's mee. De prefrontale cortex, het deel van ons brein dat zich bevindt achter het voorhoofd, groeide explosief. En daarmee groeide ons vermogen om na te denken over onszelf, over anderen, en over de toekomst.

Wetenschappers vermoeden dat dit zelfbewustzijn mede ontstond omdat het een evolutionair voordeel bood: wie begrijpt hoe hij zelf in elkaar zit, begrijpt ook beter hoe een ander in elkaar zit. De mens is van nature een kuddedier, overleven deed je niet alleen, maar samen. Empathie, perspectief kunnen innemen, samenwerken en communiceren als groep hangen allemaal samen met de capaciteit om jezelf als 'ik' te zien, los van de rest."

Maar er was nog een ander voordeel: het correctiemechanisme.

De amygdala, het alarmcentrum van ons brein, reageert razendsnel op waargenomen gevaar. Sneller dan je bewust kunt denken. Die reactie is evolutionair oud en wordt gedeeld met vrijwel alle zoogdieren. Het is het systeem dat de koolmees aanzet tot aanvallen.

Het probleem is dat de amygdala geen onderscheid maakt tussen echt gevaar en vermeend gevaar. Een roofdier achter de struiken en een schaduwtje dat op een roofdier lijkt: voor de amygdala is het hetzelfde. Liever tien keer te veel alarm dan één keer te weinig, want die ene keer kan je het leven kosten.

En ook daarvoor ontwikkelde zich de prefrontale cortex als correctiemechanisme op de amygdala: om vals alarm van echt gevaar te onderscheiden. (2)  Om te kunnen denken: "Wacht even, is dit werkelijk gevaarlijk?"

Wij zijn, evolutionair gezien, gebouwd om onze eigen angstreacties te kunnen evalueren.

De koolmees kan dat niet. Hij valt zijn spiegelbeeld aan tot hij erbij neervalt, zonder dat er iemand in zijn hoofd fluistert: "Dat ben jezelf."

Hoe het correctiemechanisme zichzelf ging tegenwerken

Tot zover klinkt het als een mooi verhaal. Wij kregen een prachtig systeem. De koolmees niet. Einde verhaal.

Zou je denken. Maar hier wordt het ingewikkeld.

Want datzelfde zelfbewustzijn dat bedoeld was om ons te corrigeren, is bij veel mensen een bron van angst op zichzelf geworden.

De prefrontale cortex denkt namelijk niet alleen in het heden, maar ook in het verleden en de toekomst. Het projecteert. Het bedenkt scenario's. Het stelt zich voor wat er (opnieuw) mis kan gaan. En wanneer die scenario's levendig genoeg worden, als je ze echt voor je ziet, als je ze bijna voelt, reageert de amygdala daarop alsof het echte gevaren zijn.

Dus het zelfbewustzijn dat bedoeld was om de amygdala te kalmeren, levert haar soms juist brandstof.

Dat is de paradox.

De koolmees valt zijn spiegelbeeld aan omdat hij zichzelf niet herkent. Wij maken ons druk over iets wat nog niet is gebeurd, misschien nooit zal gebeuren, en voelen ons daardoor angstig. Die angst voelt net zo reëel als die van de koolmees die zijn eigen spiegelbeeld niet herkent.

Beide zijn reacties op iets wat er niet echt is, maar het verschil? De koolmees heeft geen keus, maar wij wel.

De leerweg: zelfbewustzijn als gereedschap

De koolmees kan dat onderscheid niet maken. Wij wel, maar herkennen is niet hetzelfde als oplossen.

Dat is precies waar veel mensen vastlopen. Ze weten dondersgoed dat hun angst niet reëel is. Ze kunnen het uitleggen, analyseren, in perspectief plaatsen. En toch voelt het lijf het nog steeds.

Dat komt omdat angstpatronen worden opgeslagen in het impliciete geheugen, de laag van automatische, lichamelijke reacties die zich buiten het bereik van het bewuste denken bevindt. Of die reactie nu is ontstaan door een vroege ervaring of door een trauma op latere leeftijd maakt niet uit: zodra iets daar is ingesleten, kom je er met je hoofd alleen niet meer bij.

Het hoofd kan het signaal herkennen. Maar het kan het patroon niet herschrijven.

Evolutionair gezien zijn we als soort nog maar net begonnen met die leerweg. Het vermogen om onze eigen reacties te doorzien is er. Maar doorzien is nog geen veranderen.

Wat hypnotherapie hiermee te maken heeft

In mijn praktijk werk ik met mensen die vastlopen in precies deze paradox: een brein dat slim genoeg is om gevaar te bedenken, maar nog niet geleerd heeft dat gevoel daarna ook los te laten.

Hypnotherapie werkt op een niveau dat de meeste bewuste interventies niet bereiken: het impliciete geheugen. Dat is de laag waar automatische reacties zijn opgeslagen, buiten het bereik van het redenerende hoofd. In hypnose wordt die laag wel toegankelijk en kun je het patroon bij de bron aanpakken.

Wat anders wordt gezien, wordt anders opgeslagen. En wat anders is opgeslagen, voelt ook anders.

Het zelfbewustzijn dat in de evolutie ooit ontstond om vals alarm te herkennen, is dan eindelijk wat het altijd had moeten zijn: niet de bron van de angst, maar de weg eruit.

 

Doorzien is stap één. Veranderen is stap twee. Voor stap twee kan ik je helpen.

Neem dan contact met mij op voor een vrijblijvend kennismakingsgesprek.